Wetboek-online maakt gebruik van cookies. sluiten
bladeren
zoeken

Jurisprudentie

AR5717

Datum uitspraak2004-11-15
Datum gepubliceerd2004-11-17
RechtsgebiedBouwen
Soort ProcedureVoorlopige voorziening
Instantie naamRechtbank Utrecht
ZaaknummersSBR 04/2937 VV
Statusgepubliceerd
SectorVoorzieningenrechter


Indicatie

De regels over de wijziging of opheffing van een voorlopige voorziening zijn niet van toepassing op de op grond van artikel 8:72, vijfde lid, van de Awb getroffen voorziening, omdat deze voorziening onderdeel uitmaakt van de einduitspraak.


Uitspraak

RECHTBANK UTRECHT sector bestuursrecht nr. SBR 04/2937 VV Uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank Utrecht op het verzoek om opheffing van een voorlopige voorziening van: [verzoeker], wonende te Utrecht, verzoeker. 1. INLEIDING 1.1 Bij uitspraak van 19 juli 2004 heeft de voorzieningenrechter het besluit van het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Utrecht (hierna: het college) van 16 mei 2004 vernietigd en met toepassing van het bepaalde in artikel 8:72, vijfde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) het besluit van het college van 12 januari 2004, waarbij aan [verzoeker] vrijstelling en bouwvergunning is verleend voor het bouwen van een woning op het perceel [adres] te Utrecht, geschorst tot zes weken na verzending van de nieuw te nemen beslissing op het bezwaar van [belanghebbenden]. 1.2 Op 4 november 2004, verzonden 8 november 2004, heeft verweerder een nieuwe beslissing op bezwaar genomen waarbij de op 12 januari 2004 verleende bouwvergunning in stand is gehouden. Op 10 november 2004 heeft verzoeker verzocht om bij wege van een voorlopige voorziening te bepalen dat de schorsing, uitgesproken bij uitspraak van 19 juli 2004, wordt opgeheven. 1.3 Gelet op het bepaalde in artikel 8:83, derde lid, van de Awb doet de voorzieningenrechter uitspraak zonder partijen uit te nodigen om op een zitting te verschijnen. 2. OVERWEGINGEN 2.1 De op 19 juli 2004 door de rechtbank uitgesproken schorsing van het besluit van 12 januari 2004 is, zoals hiervoor al is aangegeven, gebaseerd op het bepaalde in artikel 8:72, vijfde lid, van de Awb. Sedert 1 april 2002 luidt deze bepaling, als gevolg van de Eerste Evaluatiewet Awb, als volgt: ‘5. De rechtbank kan het bestuursorgaan een termijn stellen voor het nemen van een nieuw besluit of het verrichten van een andere handeling, alsmede zo nodig een voorlopige voorziening treffen. In het laatste geval bepaalt de rechtbank het tijdstip waarop de voorlopige voorziening vervalt.’ Uit de Memorie van Toelichting (MvT) bij de Eerste Evaluatiewet Awb (Kamerstuk 1998-1999, 26523, nr. 3) blijkt dat regels over de wijziging of opheffing van een voorlopige voorziening (artikel 8:87 van de Awb) in het onderhavige geval niet van toepassing zijn, omdat de voorziening onderdeel uitmaakt van de einduitspraak. Deze kwesties kunnen wel, aldus de MvT, aan de orde worden gesteld in hoger beroep. 2.2 Niet gebleken is dat er hoger beroep is ingesteld, zodat er geen aanleiding is het verzoek door te sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Gelet op hetgeen onder 2.1 is overwogen wordt het op 10 november 2004 ingediende verzoek om opheffing van de schorsing niet-ontvankelijk verklaard. 3. BESLISSING De voorzieningenrechter: verklaart het verzoek om opheffing van de op 19 juli 2004 uitgesproken schorsing van het besluit van 12 januari 2004 niet-ontvankelijk. Aldus vastgesteld door mr. T. Dompeling, voorzieningenrechter, en in het openbaar uitgesproken op 15 november 2004. De griffier: De voorzieningenrechter: A. Heijboer mr. T. Dompeling Afschrift verzonden aan partijen op: